Eerst heette hij Gerhard van de Rhoer, toen opeens Gertie de Boer. Hij was 3 jaar in 1942 en was opeens ‘een soort van wees’. Maar de oorzaak was de oorlog natuurlijk, en de joden-vervolging. Zijn ouders moesten onderduiken en dat kon niet met kinderen erbij. Zijn ouders kwamen terecht in Oosterhout, aan de Wilhelminalaan, bij ome Harrie en tante Jo. ‘Gertie’ ‘ging logeren’ bij een tante die een kleuterschool runde in Breda. Dat duurde twee jaar.

Dat vertelde Gerhard zondag in het speelgoedmuseum, waar een tentoonstelling is ingericht over spelen en schuilen in oorlogstijd, die tot 4 mei is te zien. Gerhard mocht die openen.

“Mijn vader schreef liedjes in Oosterhout, hij was muzikaal. Ook ging hij knutselen en het treintje dat hij voor mij maakte bestaat uit blik en garenklosjes voor de wielen. Meer gereedschap dan een schaar en een schroevendraaier had hij niet. Dat treintje is natuurlijk ons erfstuk geworden en hebben we geschon-ken aan het Verzetsmuseum in Rotterdam, waar wij ook vandaan komen. Zij leenden het aan het speel-goedmuseum voor deze tentoonstelling.”

Op enig moment maakten de Duitsers bekend dat ze de brug over het Wilhelminakanaal op gingen bla-zen om de Polen tegen te houden. “Mijn moeder is toen snel op de fiets naar Breda gekomen om mij op te halen. Maar ik geloofde haar eigenlijk niet meteen, kende haar amper. Het kwartje viel pas toen ze zei dat ze uit Rotterdam kwam. Ik ben achterop de fiets mee naar Oosterhout gekomen. De bevrijding zou spoedig volgen.” Hij werd nu nog emotioneel van het moment waarop hij de eerste Canadese sigaret zag. Daarna opende hij de tentoonstelling, die door Heidi Rombouts werd vormgegeven. Daarin ook de me-daille die ome Harrie en tante Jo de Roos-Ligtvoet kregen voor hun moedige gedrag, want onderduikers in huis halen was bloedlink.

De tentoonstelling maakt deel uit van alle evenementen die georganiseerd werden rond het feit dat wij 80 jaar geleden werden bevrijd.

evr

(foto’s Casper van Aggelen)