Dit verhaal gaat over de vondst van een Middeleeuws Triptiek op de zolder van de St. Jans- Basiliek in 1948. Inmiddels bevindt het originele kunstwerk zich in het Stedelijk Museum Breda. Omdat het origineel niet eenvoudig terug kan naar de kerk (o.a. vanwege onderhoud en klimaatomstandigheden), is een levensechte 3D-replica gemaakt. Op initiatief van de Heemkundekring Oosterhout, kunsthistoricus Ralph Zijlemans en pastoor Jochem van Velthoven zal de replica zichtbaar worden gemaakt op de oorspronkelijke plek.De onthulling vindt plaats op zondag 12 april 2026. Aanvang 14.00 uur in de St. Jans-Basiliek op de Markt te Oosterhout. Frans van Wanrooij van Heemkundekring De Heerlijkheid Oosterhout verzorgt dan een lezing over de historie van het Triptiek. Hoe leuk is het om in dit kader nog eens het stuk te lezen uit 1948.De Heemkundekring inventariseert oude Weekbladen en neemt de stukken uit de oude doos letterlijk over.
Enige weken geleden werd de Zeer Eerw. Heer Pastoor van de parochie St. Jan aangenaam verrast door de mededeling van zijn dienstbode, dat zij op de zolder een oud schilderij had gevonden, welk gebeuren de ontdekking zou blijken te zijn van een belangrijke middeleeuwse triptiek. Zij is gesigneerd noch gedateerd, doch de familiewapens boven de beide schenksters op de zijluiken afgebeeld, boden een prachtige kans diverse gegevens omtrent herkomst en ouderdom te achterhalen. Het naspeuren hiervan leidde dan ook tot het gewenste resultaat.
De linker helft van het wapen op het linker zijluik, en de rechter helft van het wapen op het andere zijluik, komen volkomen overeen met het wapen van Dongen zoals dat heden ten dage nog is. De heraldieke beschrijving hiervan is: „van zilver, met twee beurtelings gekanteelde fasen van keel (d.i. rood)". De andere helft van het wapen op het linker zijluik, is van het geslacht Monincx dat geparenteerd is aan de nu nog in Oosterhout wonende familie v.d. Aa. De beschrijving hiervan is: „van zilver, de goudkleurige hermelijn staartjes zitten op een ovaal van sabel (d.i. zwart); de winkelhaak is geschaakt van zilver en keel; de daarop gezeten vogel heeft de vorm van een valk." Deze wetenschap moest noodzakelijk leiden tot het identificeren van de dame tot wie dit wapen behoorde. Immers, indien men wist wie in de geschiedenis de bezitster was van het wapen van het geslacht Monincx enerzijds, en, door huwelijk waarschijnlijk, van het geslacht Dongen anderzijds, zo kon men met zekerheid zeggen wie de afgebeelde persoon was.
De Heer van Loon, zeer wel op de hoogte van de geschiedenis van Oosterhout, heeft deze combinatie ontdekt in een van zijn vele oude boekwerken (n.l. van Goor blz.363). Zo werd de ene helft van het raadsel ontsluierd en de oude dame bleek te zijn, Adriane Monincx tweede vrouw van Joost, Heer van Dongen. Zij is gestorven in het jaar 1504, wat dus voor de triptiek behelst dat zij voor die tijd geschilderd is, tenzij we hier met ‘n posthume afbeelding te doen hebben. Dit is echter zeer onwaarschijnlijk, aangezien het in de middeleeuwen veelal gebeurde dat een of meer adelijke personen een opdracht gaven aan een schilder ter vervaardiging van een altaarstuk voor de kerk, waarop zij zich zelf dan mede af lieten beelden. Hiervan zijn vele voorbeelden in de kunstgeschiedenis op schilderijen van Rogier van der Weijden, van Eijck e.a.
Er is geen reden om aan te nemen dat de gang van zaken hier anders geweest zou zijn. Zoals reeds gezegd is ook de dame op het andere zijluik in de familie van de Heren van Dongen. De uitkomende adelaar links boven in haar wapen, wijst op Italiaanse afkomst. Het is zeer aannemelijk dat de persoon in kwestie een Italiaanse familie relatie had, aangezien in die tijd vele Venetiaanse en Genuese kooplieden en bankiers zich in Zuid Nederland gevestigd hadden: bovendien komt in de stamboom van de Heren van Dongen een Italiaanse familie relatie voor. De zekerheid werd hier gegeven door het vinden van dit, wapen in het boek Armorial Generale van Rietstap in de Bibliotheek van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in den Bosch. De tweede persoon bleek toen te zijn, Josyne, dochter van Joost. Heer van Dongen en Adriane Monincx. Zij was gehuwd met de Venetiaan Steven Giustiniani.
Deze gegevens zijn het die de triptiek voor de geschiedenis van Oosterhout zo buitengewoon interessant maken, temeer daar dit stuk niet in een museum „dodenhuis der kunst" terecht kwam, doch bleef leven aan de bron van zijn ontstaan.
Dit is niet zo voor de hand liggend als het op het eerste gezicht lijkt. Immers ten tijde der Reformatie werden vele kostbaarheden der kerken verkocht ten behoeve van de Staten Generaal. Het was weer de Heer van Loon die ons opmerkzaam maakte op een alinea in het boekwerkje Kerk van Oosterhout blz. 101 luidend: in 1652 werd verkocht een altaar van d'afdoeninghe van het Cruys". Dit stuk werd. op een openbare verkoping gemijnd door Willem Corneliszoon van Loon. Waarschijnlijk hebben we het aan de rechtschapenheid en stiptheid van geweten van deze heer van Loon te danken dat de triptiek weer in kerkelijk bezit is teruggekeerd. Laten we hopen dat ze door een juist beheer altijd hier zal blijven.
Velen zullen zich waarschijnlijk afvragen hoe het toch mogelijk is dat dit stuk zolang verborgen is gebleven, temeer daar ook Pastoor Peeters z.g. toch zeer piëteitsvol was tegenover alles wat verband hield met de geschiedenis van Oosterhout en in het bijzonder met die van zijn parochie. Ook ten tijde van de vorige Pastoor immers moet het altijd op zijn pastorie aanwezig zijn geweest. Het mag zelfs als zeker worden aangenomen dat het paneel op de vorige pastorie, het z.g. Van Beveren slotje, op het ogenblik het woonhuis van de familie van der Struijk in de Ridderstraat, aanwezig is geweest en met de verhuizing van daar naar de Markt in het jaar 1856 mede is overgegaan. Heeft het misschien in de vorige pastorie, die dus vrij ver van de kerk was gelegen, als huisaltaar gediend? Niet onmogelijk. Het ophouden van een eventuele vergunning om in huis de H. Mis te lezen, toen de pastorie vlak naast de kerk kwam, zou een aanleiding geweest kunnen zijn dat de triptiek op zolder terecht kwam toen het huisaltaar werd opgeruimd.
Dat ze daar niet eerder gevonden werd dan eerst in 1948 moge verwondering wekken, geheel onverklaarbaar is dit echter niet. De buitenzijde van de zijluiken is beschilderd geweest, maar helaas dermate beschadigd en vergaan, dat de kleur nog enigszins te zien, doch de voorstelling geheel verdwenen is. In gesloten toestand, de zijluiken voor het middenluik gevouwen, maakt het geheel dan ook een vuil, grijs grauwe indruk, die in geen enkel opzicht gunstig afsteekt bij die van een hoeveelheid oude planken. De afmetingen zijn, in gesloten toestand, 92 x 94 cm. Een dergelijk voorwerp kan dan ook op een grote zolder achter een schoorsteen of enige oude kisten, gemakkelijk enige jaren liggen, zonder dat men de waarde ervan vermoedt.
Wordt vervolgd met de beschrijving van de voorstelling op het drieluik.MF
