Het decor werd gevormd door een vuilnisbelt en die bleek uiterst functioneel, zeker waar het ging om het feit dat we de aarde aan het verkloten zijn met ons decadent gedrag. Maar ook de opkomst van de PVV hier werd feilloos verwoord door de ‘Drie Tenoren’ in een (bewerkt natuurlijk) lied ( Funiculi, Funicula). Veel venijniger kon je het niet krijgen. Sjongejonge, waar Oosterhout groot in kan zijn zeg. Toen Ton Biemans nog in Breda woonde hadden ze daar nog iets van een revue, maar door zijn remigratie naar Oosterhout zijn wij in de wijde omtrek nog de enige plek waar ze zo ongelooflijk veel kwaliteit bij elkaar krijgen.

De vaste kern op het podium bestaat uit Ton Biemans (voor het overgrote deel ook de man van de teksten), Janny, René en Maartje van Bijnen, Robert Brekelmans, Daniëlle van Buitenen, Nicole Caron en Jaap Oomen. Antoine Trommelen vormde in z’n eentje het orkest en gerepeteerd werd er bij de familie Schuitemaker. Stagemanager was als vanouds Bert Hoogland en Maddie Bakker, Jim van Tilborg en Ineke van den Bos regelden nog een heleboel achter de schermen. Het decor werd gebouwd door Tom Smits en Robert van de Veeken.

Orgasme

Iedereen heeft tegenwoordig wel een coach, althans, er ís voor iedereen wel een coach. Meestal hebben die coaches zelf nog nooit ergens gewerkt, maar ja, ze zijn wel coach. “Met een coach sta je sterker.” De ‘drie tenoren’ zongen een prachtig lied over het enorme egoïsme dat de mensheid teistert en als ‘vanzelf’ kwam toen de toekomstige OV-hub bij het Amphia (dan nog tenminste) ter sprake, net als de deelauto (met het lied ‘Mag ik vandaag de deelauto van u mijnheer’ (mag ik van u een lift mijnheer, ik woon hier zo ver vandaan). Helemaal hilarisch was het toen Maartje van Bijnen haar liefde voor de bonbons van La Bohème (Aznavour) bezong. Alsof ze klaar stond te komen, oh man, wat heerlijk. Een chocolade-orgasme.

Middeleeuwen

De ‘roast’ van ‘de burgemeester van Dorst’, Walther Hoosemans, was uit het leven van de man gegrepen. Hoe enorm hij er op kickt om die ambtsketen om te kunnen hebben als plaatsvervangend voorzitter van de gemeenteraad…, zijn enorme egotripperij …, man oh man, wat is ie dan trots. Nóg mooier werd de persiflage op raadslid Hannie Broekhoven. Met twee ‘coaches’ aan haar zijde wist ze amper uit haar woorden te komen over enkele gesloopte bomen die volgens haar nog uit de middeleeuwen stamden. Gebeurt dit in het echt ook?, vroeg iemand naast me. Jazeker kerel, zo gáát dat. Ga er maar eens een keer naar toe.

Dorstig

Een fraai inkijkje op het personeelstekort in de horeca kreeg het publiek (vijf volle bakken in de kleine zaal van de Bussel) in de terrasscène. Geen trappist te krijgen en zelfs mijnheer pastoor wees het gezelschap dorstigen de deur. “Nee, ik doe de trappist niet, dat doet mijn collega”, aldus een van de bureaucratische obers. Beetje bijzonder was wel het danklied voor Hans van de Grift, de man op wie je altijd een beroep kon doen, ooit ook productieleider van het Revuetje en ernstig betrokken bij de Grote Revue. Hij is ernstig ziek, kwam zelfs nog naar het Revuetje, maar in het lied leek het wel of hij al overleden was. Mooi lied en veel grotere dank voor zijn inzet kon je niet bedenken. “We hebben dit vooraf met hem overlegd natuurlijk”, aldus Ton Biemans.

Wazeetie?

Hilarisch was vervolgens de verwarring in Arendshof 2, waar zowel H&M zaten als het gemeentehuis. In de setting van de televisieserie ‘Are you being served’ kwamen klanten bij Mrs. Slowcombe en Mr. Humphries om een uittreksel. “Nee, u mag hier niks uittrekken tenzij u ook iets aantrekt.” Het bleek te gaan om een uittreksel uit het geboorteregister. “Oh, dan moet u bij de sokken rechtsaf.” Iemand anders kwam voor een verlenging. “Oh, dat kan hier.” Ging het om een rijbewijs. ‘What do you want?’… Wazeetie? In het fraaie lied van de Village People (YMCA) werd alles duidelijk.

Mijn wijk

Toen Nicole Caron en Janny van Bijnen elkaar ontmoetten terwijl ze blikjes aan het verzamelen waren (“Dit is mijn wijk, wegwezen hier.”) kon je een herinnering aan het Kaokelen niet vermijden. Ze komen toch met elkaar aan de klets en het gaat over Henk, de overleden echtgenoot van Marie, die een beetje in de war aan het raken is. “Nee, jij woont die kant op hoor.” Zij had de urn met de as van Henk laten vallen en toen alles in de stofzuiger laten verdwijnen. “En hij was allergisch voor stof.” Mijmerend over Henk blijft ze alleen achter op het bankje, een beetje in de war. Plots kwam Henk (René van Bijnen) tevoorschijn uit een oude koelkast die ook in de vuilnisbelt stond. Hij kwam naast haar zitten en hun eerste ontmoeting op de kermis kreeg gestalte. Hoe hij haar versierde en zij uiteindelijk toegaf aan zijn avances. Dan is ie plots weer verdwenen. Hele mooie scène.

Kulduur

Een fraai lied over de regeltjes en wetten en hoe godsdiensten elkaar naar de strot vliegen terwijl ze de liefde tussen mannen en vrouwen gewoon bestrijden. De manier waarop allerlei (bouw-) projecten, zoals de N629 (naar Dongen) worden gedwarsboomd (alle plannen in de ijskast) leidden tot de ‘zeurhoek’ van Janny en Antoine. “Mijn overheid, Mijn Amphia … overal wachtwoorden. Mijn wachtwoord voor Mijn overheid is ‘stiktermaarin. Kan dan wel zijn dat het allemaal van ‘mij’ is, maar ik kom er niet in”, aldus Janny, die niet veel later ook die kakkers vlakbij de Westhoek nog eens lekker te kakken zette.

Het politiek gekrakeel over Galvanitas, met daarin de strijd tussen de ‘pessimisten’ (Jan Schellekens) en de optimisten (H19 en de dame van de ‘kulduur-scan’) bood via het lied ‘ranja met een rietje’ een mooi plaatje van hoe allerlei lobby’s werken.

Slotstuk was toen ze allemaal aan het zappen waren (zwerfafvalpakken). ‘De boel gaat ontploffen hier hoor, we dansen met z’n allen op een vulkaan’, was het lied waarmee de ernst van de situatie op de wereld (en dus ook in Oosterhout) werd verwoord. Moralistisch? Nee joh, realistisch. Met ‘Ik wil niet wonen in Rusland, met die despoot. Ik heb getwijfeld over Oosterhout …’ washet revuetje ten einde.

Het was een heerlijk, helder Revuetje. Lekker scherp, ongelooflijk muzikaal en vindingrijk. Ondergetekende is in de enorm bevoorrechte positie dat ie meerdere keren kon gaan kijken en heeft zich telkens weer geen moment verveeld en steeds weer nieuwe dingen ontdekt, bijvoorbeeld waar het de mimiek van de spelers betrof of de baslijntjes van de pianist van dienst. Petje af! Dit was grote kunst … (ook al heb ik daar geen verstand van …)

evr

(foto’s Casper van Aggelen)

COACH

Nee, je kunt gewoon niet zonder,

Jij kunt zelf bijna niets!

Ook al heb je acht diploma’s:

Op een dag is er wel iets

Waarbij hulp van een ander

Gewaardeerd is, of vereist.

Zijn je zaakjes niet op orde?

Kom je op de zwarte lijst!

Neem een coach voor alle zaken,

Doe het voor de zekerheid.

Ook al kost het een vermogen,

Ben je al je centen kwijt!

Dus stel een mannetje aan,

Een mannetje aan,

Een vrouwtje dat kan ook, hoor,

Want ja, die bestaan!

En loopt het toch verkeerd,

Nou, dan moet het zo wezen:

Jou kan niets gebeuren,

Want jij hebt niks te vrezen!

Neem een coach bij het breien:

Die laat jou niet in de steek.

Neem er een bij autorijden

Alle dagen van de week.

Laat je soepel begeleiden

Bij een trap of bij een lift.

Laat hem toch maar even kijken,

Als je zelf je lippen stift.

Want je hebt zo iemand nodig,

’t Is geen schande hoor, o nee.

Wil je alles liever zekerder?

Dan neem je er toch twee!

IKKE

U mag een mening hebben, maar alleen die

Van mij die telt, van mij die telt.

Ik heb altijd gelijk of anders krijg ik

Het met geweld, het met geweld.

U moet naar hem niet luisteren, want ik weet

Het beter hoor, het beter hoor.

Wel nee, laat hen maar lullen, want mijn mening:

Daar ga ik voor, daar ga ik voor!

Ikke, ikke, ikke helemaal

Ikke, ikke, helemaal centraal

’t Is Ikke hier, en ikke daar, en ikke zus, en ikke zo,

Alle dagen knokken, ja: ik krijg het niet cadeau!

De wereld draait alleen nog maar om mij, dusss

Dat u het weet, dat u het weet.

Misschien dat u soms effe denkt: en wij dan?

Ja, ja, me reet! Ja, ja, me reet!

Want hullie willen telkens iets van mij, nou:

Dat denk ik nie, dat denk ik nie.

Ik hou het liever lekker voor me zelf,

Wij alle drie, wij alle drie!

Dat hekkie voor die peuters mag er komen:

Niet voor mijn deur, niet voor mijn deur.

En stuur die grote vluchtelingenstromen

Naar Etten-Leur, naar Etten-Leur.

Die domme dertig kilometer zone

Geldt nie voor mij, geldt nie voor mij.

Ik rij ook op de snelweg honderdvijftig,

Dat maakt me blij, dat maakt me blij!

Ikke, ikke, ikke helemaal

Ikke, ikke, helemaal centraal

’t Is Ikke hier, en ikke daar, en ikke zus, en ikke zo,

Alle dagen knokken, ja: ik krijg het niet cadeau!

Ellebogenwerk, dat is het sowieso!

Eigen vol-lek eerst in deze regio!

Ik sta hier te stralen in mijn eigen show!

En na mij de zondvloed! Okidokido!

BUS STOP

Bus stopt niet meer, als het door gaat,

Op de Leijsenhoek,

Bus stopt bij een nieuwe halte,

Ga maar gauw op zoek.

Meegaan in de vaart der volken,

Dat wil Oosterhout.

Met het hoofd hoog in de wolken

Wordt er weer gebouwd.

Leve de OV-hub bij het Amphia; daar staan

De bussen brommend met zijn achten bij elkaar.

Gloednieuwe perrons, waar je kan wachten op je bus

Naar weet-ik-veel of noem-maar-op, van hier naar daar.

Bus stopt over twee, drie jaren

Voor die hoge flat,

Hoger dan de kerktoren,

Naast die hub gezet.

Heel centraal ook in het oosten,

Leijsenhoek verdwijnt.

Eén gedachte zal je troosten:

Heel dicht bij Oosteind!

Leve de OV-hub bij het Amphia; daar staan

De bussen brommend met zijn achten bij elkaar.

Gloednieuwe perrons waar je kan wachten op je bus

Naar weet-ik-veel of noem-maar-op, van hier naar daar.

Bus stopt bij het nieuwe stoplicht,

Rotonde op de schop.

Alles wordt wat opgeschoven,

De boel gaat op zijn kop.

Als je uit de kroeg komt, ben je

Langer onder weg;

Mis je zo je laatste bus, dan

Heb je domme pech!

DEELAUTO

Wij hebben sinds een jaar of wat

Een auto van de wijk.

Hij is voor wie hem nodig heeft,

Eenieder is gelijk.

Hij is niet zo geweldig groot

En ’t is een automaat.

Je moet hem reserveren ook,

Maar doe dat niet te laat!

Mag ik vandaag de deelauto?

Toe, laat me hier niet staan.

Mag ik vandaag de deelauto?

‘k Moet hier zo ver vandaan.

Mag ik vandaag de deelauto?

‘k Zal er zo dankbaar voor zijn.

Mag ik vandaag nou de deelauto?

Mag het van u? O, wat fijn!

Het is meer een verdeel-auto,

Dat klinkt misschien wat raar.

Sinds dat vehikel komt de buurt

Niet nader tot elkaar.

Gisteren was de voorband lek,

De voorruit ging er aan.

En hij mist tevens een wiel of vier,

Hij zal niet ver meer gaan.

BONBON

Ik weet niet hoe het komt,

Het gebeurt, ja verdomd:

Ik laat me verleiden

Dan heb ik ze weer

Want daar komt het op neer.

Ze zijn niet te mijden.

Meestal meer dan een ons

Van die mooie bonbons,

O, ik smelt helemaal!

Niet zo best, weet ik hoor,

- En ik zweer bij lokaal -

Maar toch ga ik voor

La Bohème, La Bohème

Ze zijn zo zalig, zo wonderlijk fijn

La Bohème, La Bohème

Nergens goedkoper dan bij Albert Heijn!

Dyonaise van Speek

Is er elke week,

Die wil ik ook kopen!

Dat is echt niet verkeerd,

Heb me vaak getrakteerd:

Ik sta er voor open!

En die bitterkoek

Staat als heerlijk te boek:

Voor zo’n ding van één ons

Wil ik ook in de rij;

- Wat betreft zijn bonbons

Hou ’k ‘t toch liever bij

En mijn hart maakt een sprong

Voor het brood van De Jong:

Z’n spelt en meergranen;

Op een drafje ga ik

Gauw weer naar Dikke Mik

Om iets hartigs te kanen;

Eierkoek met kaneel

Die heeft Vromans heel veel,

Maar bonbons bij die drie

- Ach, het is misschien raar -

Het zijn ze nét nie

Dus grijp ik weer naar

U begrijpt het wellicht,

Ik zie het als plicht

De bakkers te steunen

Dus ik eet onverdroot

Hun ambachtelijk brood.

Maar ‘k kan niet op hen leunen:

Als het gaat om bonbons,

Krijg ik weinig respons.

En als ik wil snoepen,

Zijn zij niet dé man,

Dus blijf ik maar roepen:

Niets beter dan

La Bohème, La Bohème

Ze zijn zo zalig, verfoeielijk fijn

La Bohème, La Bohème

Nergens goedkoper dan bij Albert Heijn!

AMBSTKETEN

Dit is het verhaal van een jongen,

Een jongen met dromen, dat is niet zo raar,

Hij wist wat hij wou, had een eigen wil:

Dat kan bij een joch van amper een jaar

Hij groeide als kool alle dagen

Zijn hempje werd hem gauw te kort

Je hoorde hem nauwelijks klagen,

Maar je weet dan nog niet wat het wordt

In Alphen is het toen begonnen,

Ons Walthertje was amper twee

En als er een spel werd verzonnen,

Dan speelde hij fanatiek mee.

En moesten ploegen gekozen,

Dan stond hij als eerste vooraan.

Zijn vingertje ging in de hoogte:

Hij wilde zijn mannetje staan.

Hij speelde graag oom agentje,

Maar liever het spel ‘gemeentehuis’.

Iedereen zag: hé, dat ventje,

Voelt zich blijkbaar het beste daar thuis.

Hij, hij wil de burgemeester zijn!

De burgemeester zijn!

Hij, hij wil de burgemeester zijn!

De burgemeester zijn!

Als hij dat niet mocht zijn, dan was het raak,

En riep naar de anderen:

“Ik ben er voor gemaakt!”

Veel jaren daarna ging hij werken

Bij de politie en werd rechercheur,

Daar bleef hij zich niet toe beperken:

In Dorst zette hij dapper deur.

Hij liet zich door menigeen strikken

Bij allerlei clubjes, dat vond hij oké.

En stiekem vond Walther het kicken,

Het zat hem verdorie lekkertjes mee!

In Dorst was hij nu echt een hele meneer,

Hij klom op de ladder; had het mooi voor elkaar.

Bij elke bijeenkomst hoorde je weer

En zong elke Dorstenaar:

Hij, hij mag de burgemeester zijn!

De burgemeester zijn!

Hij, hij mag de burgemeester zijn!

De burgemeester zijn!

Hij is de koning van Dorst, onverveerd

Hij keek eens in het rond:

“Dat gaat niet verkeerd!”

Maar Walther die wilde nog hoger,

De ambtsketen lonkte: hoe kwam die bij hem?

In de raad toonde hij zijn vermogen,

Was zichtbaar, verhief er zijn stem.

Maar ja, wat kon hij verzinnen?

Die baan lag niet meer in het verschiet.

Op een avond, de raad zou beginnen,

Maar Mar-rek Buijs die was er niet!

Pas langzaam drong het tot hem door

En de hele raad zong in koor:

Jij, jij mag de burgemeester zijn!

De burgemeester zijn!

Jij, jij mag de burgemeester zijn!

De burgemeester zijn!

Dit moet op Facebook, nee: op het journaal!

Doe die ketting maar om,

- Doe die ambtsketen om -

Doe die ketting alsjeblief om

En doe verder normaal!

TERRAS

Het terras, het terras, o, ik wil naar het terras.

En nou es even zien: De Beren of de Beurs?

Bij Marktzicht misschien? O, er is volop keus.

Is deze stoel bezet? Daar komt de ober aan.

Wij willen een Westmalle achteroverslaan!

Dat kan niet! – zei de jonge knaap -

Nee, niet bij mij: dat moet bij Jaap;

Ik doe geen alcohol!

Vooruit nou zeg, doe ons een lol!

Ik doe de jus d’orange!

Geef ons gewoon toch een trappist! – Geen kans!

Dan gaan we naar de buur voor bier en bitterbal.

Meneer! – Ik kom zo bij u! – Maar wij weten ‘t al:

Een lekkere trappist zo met een zachte kraag!

En bitterballen en meteen betalen, graag!

Dat zal niet gaan! – Wat zegt u nou? –

Die warme hap: die is niet kou!

Ik doe alleen het bier

Voor hapjes: mijn collega hier!

Dat zijn wij zo gewend!

Maar geld is geld! Wat is dit voor een tent?!

Dan strijken we hier neer, es kijken wat het wordt

Wat staat er voor trappist daar op dat zwarte bord?

Zeg, valt dat jullie op? Geen ober hier te zien,

We zitten hier toch zeker een minuut of tien.

What do you want? – Wat zei-tie nou? –

What do you want? Please, tell me now?

Engels, naar ik vermoed!

O yes! Welcome in Easterwood!

Dat zie je erg veel,

Ook hiero dus een groot tekort aan personeel.

Daar ginder is nog plaats, ja, daar bij die mevrouw.

Zij zit alleen aan tafel, maar wat geeft dat nou!

Mevrouw, vindt u het goed? – O nee, die zijn bezet!

Want mijn gezelschap moest heel nodig naar ’t toilet!

Wij waren bij het Houtse Meer

– Hoe was het daar? Hoe was de sfeer? –

Nou, er was voor ons geen plek

Op het terras, dat vond ik gek,

Zij stuurden ons weer door

Naar ’t Klösterke of Bergvliet: daar pas ik voor!

Maar kom, we houden vol! Mijn keel is erg droog.

Ik snak naar die trappist, want ja: de nood is hoog!

O, kijk eens, dat gebouw, daar staan ook tafels voor,

Al lijkt die ober wel wat op meneer pastoor.

Gezegend zijt gij, allemaal!

Wat is dit voor een hels kabaal?

– Schenken jullie ook trappist? –

Ik denk dat u zich goed vergist,

Ik schenk u met plezier

Een liefdevol en mooi gebed. – Dus geen bier?

Het terras, het terras, o, ik wil naar het terras.

Het terras, het terras, o, ik snak naar een glas.

Het terras, het terras, o, ik wil naar het terras.

Het terras, het terras, duizend euro voor een glas.

H & M

Waarheen als je trouwen wil gaan?

Ik zeg waarheen als je buiten wil staan

Met een kraampje of een partytent?

Waarheen ga je voor die dingen?

Waarheen voor een rijbewijs?

Ik zeg waarheen voor een verre reis

Voor een paspoort als het kan met spoed?

Staat mijn auto hier wel goed?

Je kunt voor alle zaken naar H & M!

Je kunt voor alle zaken naar H & M!

Ze hebben alles daar,

Ze staan er voor je klaar,

Ze krijgen alles voor elkaar!

Naar H & M!

Je kunt voor alle zaken naar H & M!

’t Is alles op één hoop,

Ook voor een bouw of sloop:

Oosterhout in de uitverkoop!

Is dat Willem Jan die daar staat?

Verhip! houdt hij een cliënt aan de praat?

En kijk pleit hij nu voor eerlijk katoen?

Ach, hij blijft natuurlijk groen

Kijk nou: Kastelijns rekent af!

Mark Buijs naar kassa twee op een draf,

Want daar sputtert Jantje Schellekens weer!

Ach, zijn sportbroekje past niet meer!

Zoek je een vergunning of zo:

Je krijgt vrijdag nog een tweede cadeau!

En op maandag drie passen voor twee!

Elke koopjesjager doet mee!

Walther koopt een hele partij,

Er zit niets meer voor ons Petertje bij

En de rest doet dan iets anders maar an!

Kleren maken vrouw en man!

Je kunt voor alle zaken naar H & M!

Je kunt voor alle zaken naar H & M!

Ze hebben alles daar,

Ze staan er voor je klaar,

Ze krijgen alles voor elkaar!

Naar H & M!

Je kunt voor alle zaken naar H & M!

’t Is alles op één hoop,

Ook voor een bouw of sloop:

Oosterhout in de uitverkoop!

GEEN SORRY

Al die idiote regels,

Waar je mee wordt overspoeld,

Al die voorschriften en wetten:

Waarvoor zijn die toch bedoeld?

Je mag dit niet, je mag dat niet!

En gedraag je! Nee, dat kan niet!

Zo behouden zij de macht

En hun woord blijft van kracht

In hun hypocriete visie: elke religie.

Want al eeuwenlang, m’n jongen,

Wordt een liefdeslied gezongen,

Maar niet over jou en mij,

Past niet bij hun dweperij.

Wij zijn het vuil! Gooi ons maar weg!

We mogen het denken, maar niet doen

Dat staat voor hen vast.

Wat wij doen is ongepast:

Weer naar het donker en het duister van de kast.

Liefdes bloeien om ons heen,

Zo gewoon, zo algemeen,

Maar ons wijzen ze na,

Als wij samen als wij samen gaan.

Zo is liefde niet bedoeld

Volgens bijbel of koran,

Dit is wat ik soms voel:

Sorry dat ik besta!

Geen regenboog als zebrapad

Als het aan Güler ligt, of aan al die anderen

Door hun dogma’s doof en blind;

Of aan de paus, die roomse vrind,

Die ons geen misdadigers, maar wel zondaars vindt.

Maar wat is er dan verkeerd,

Als een man een man vereert,

Als een vrouw een vrouw bemint?

Wie zijn zij wel, die dit niet zint?

Er is al duizend jaren strijd,

Tussen religies haat en nijd:

Wie verkondigt nu het ware woord?

Waar om hele volkeren zijn vermoord?

Weinig liefde volgens mij

Eerder volksverlakkerij

Daarom zing ik, lieve vriend,

Al zijn zij ‘r niet van gediend:

Wij twee kunnen dit aan,

Geen: sorry, dat wij bestaan!

IJSKAST

De N-zes-twee-negen ligt wat ongelegen

Wat betreft de ‘groene’ kant.

Jaren voor gestreden; stikstof is de reden

Dat het in een la belandt.

(Dat) plan een weg te maken moeten we weer staken,

Nou, dan zijn we mooi de klos.

Ook al gaan we gillen, dat we willen willen:

‘Gaat niet door’, dat zei Den Bosch!

Rechtszaken gespannen tegen al die plannen

Door die groepen van milieu,

Alles blijven rekken – ik kreeg rooie vlekken –

Eigenlijk een beetje sneu.

Goed wel om te zorgen voor de dag van morgen,

Maar nu rijdt het sluipverkeer

Al maar in kolonne, o zo onbezonnen,

De Hoogstraat op en neer!

Moeten we het laten? Niet meer over praten?

Is het uit- of afgesteld?

Wat valt er te winnen, als we iets verzinnen?

Iets dat ook behoorlijk telt

Ik heb een ideetje! Niet zo moeilijk, weet je!

Iets wat morgen kan en mag:

Gooi de AVRI dicht, want dat scheelt allicht

Zevenduizend auto’s per dag!

In de ijskast! en van een kouwe kermis thuis

In de ijskast! we zijn nog verder nu van huis

In de ijskast! maar wanneer wordt het weer ontdooid?

In de ijskast! in de ijskast!

GALVANITAS

’t Is zo lek hier als een gieter! Wie geniet er

In zo’n bouwval van cultuur?

Allemaal verrekkes duur,

Voor de burger bitter zuur.

Ik weet niet hoe het te zeggen, uit te leggen,

Want de muren zijn verrot

En het dak dat is kapot,

Dat is kapot!

Maar bekijk het nu eens van de andere kant:

Volgens ons is er niet zo veel aan de hand,

Want het wonder van Galvanitas

Siert strakjes elke krant!

‘t Wordt de aller, aller mooiste, mooiste plek

Voor cultuuraanbidders is dit dan dé stek!

En dan wonen in een flat hier

Is toch helemaal te gek!

Dat kan mij nou niet bekoren, want zo’n toren

(Is) net zo goed ’n luchtkasteel!

Daarvan zijn er hier al veel

En dat kleurt mij groen en geel!

Oosterhout gaat naar de knoppen, dus gauw stoppen!

Allemaal geldsmijterij!

Daarvan wordt hier niemand blij,

Hier niemand blij!

Maar bekijk het nog eens van de andere kant:

Volgens ons is er niet zo veel aan de hand,

Want het wonder van Galvanitas

Siert strakjes elke krant!

Een museum, een café, H-19,

En theater of een filmhuis misschien,

Vormen samen hier een broedplaats

Voor de Oosterhoutse ‘scene’!

’t Is zo lek hier als een gieter!

Wie geniet er

In zo’n bouwval van cultuur?

Allemaal verrekkes veel en veel te duur!

NIEUW OOSTERHOUTS VOLKSLIED

Waar de A-vijf-negen met

Die andere snelweg kruist,

Waar een zielig bosje stond

En boompjes met wat fruit,

Waar de masten pronken met

Hun draden onverstoord:

Daar ligt mijn D.N.A.,

Dommelbergen-Noord,

Daar ligt mijn D.N.A.,

Waar de polder gloort!

Waar je de centrale van

Den Berg heel goed kunt zien,

En de veevoederfabriek

Kunt ruiken bovendien.

Waar de weg bezaaid is met

Veel klei en ga maar door:

Daar ligt mijn D.N.A.,

Dommelbergen-Noord,

Daar ligt mijn D.N.A.,

Waar de polder gloort!

Nee, niet in de Veurhaai of

De Slotjes, mid of west,

Net zo min in Strijen of

Het Bos of in de rest,

Ook niet op de Keiweg, op

De Heuvel, dierbaar oord.

Waar ligt het D.N.A.,

Dat mij toebehoort?

Daar ligt mijn D.N.A.:

Waar de polder gloort!

VUIL

Iedere dag als ik mag,

Sta ik, hop! vrolijk op.

Ik pak mijn vest en de rest,

Ik ga aan de slag.

Het is mijn ding en ik zing

Stilletjes in mezelf:

Met plezier pluk ik hier peuken en papier!

Verloor mijn hart, heel apart,

Aan deez’ taak, schone zaak.

En ook al is het niet zo fris:

‘t Is een goede daad.

Offer me op, ben in m’n nop,

Als ik die rommel zo zie:

Met plezier pluk ik hier peuken en papier!

Al die rotzooi op de straat,

Die een ander vallen laat,

Kijk ik met genoegen aan:

Laat mij en m’n stokkie

Maar lekkertjes gaan!