In het Kanton van 17 augustus 1967 lazen we de aankondiging van Oosterhoutse Kermis. Als u dit artikel leest, valt op dat krantenartikelen in 1967 aanzienlijk lijviger en gedetailleerder waren dan de hedendaagse compacte journalistiek. Met de kermis van 2026 komend weekend in aantocht, vonden we het leuk om u dit inkijkje te geven.Wilt u reageren of bent u geïnteresseerd in de geschiedenis van Oosterhout, bezoekt u dan onze website: www.hkoosterhout.nl Alle verhalen uit de oude doos zijn letterlijk overgenomen uit oude Oosterhoutse weekbladen.

Er is weer een jaar voorbij sinds de laatste Oosterhoutse kermis. En wanneer we, hoe dan ook, lezen of horen, dat het, zoals dat heet „Ginnekense kermis" is, dan is er niet aan te ontkomen dat vlak daarna Oosterhoutse kermis zich presenteert; met alles wat daartoe behoort, mooi en lelijk naargelang ieders instelling en opvatting.

Niets liegt erom. Dagen al rijden er grote wagens aan, vol met materialen om de tentgebouwen voor de kermis op te trekken. En met deze materiaalwagens de woonwagens, die de kermisexploitanten tot huisvesting dienen, zolang zij tijdens het seizoen de kermissen afgaan; en vaak ook wel gedurende het gehele jaar, in een winterverblijf, dat hen steeds te lang duurt.

Want kermisexploitant zijn is iets aparts. Je kunt dat niet zomaar eventjes worden, evenmin als een goed marktkoopman. Een aantal van de nieuwelingen, die het een of het ander probeerden en telkens weer opnieuw proberen, sneuvelt, omdat zij niet die heel aparte eigenschappen bezitten, die de kermisexploitant maakt tot wat hij nu eenmaal is.

Heel veel kermisexploitanten zijn dit van huis uit, van geslacht op geslacht; anderen zijn er binnen geraakt door huwelijken of andere verwantschap; of door jarenlange kennismaking bij de vakmensen. En er zijn er inderdaad ook, en er komen er zelfs nog steeds bij, nu en dan, die het eens goed afgekeken hebben en toch iets hebben, waardoor zij inderdaad slagen.

Oosterhout heeft in de zomermaanden naast zijn eigen bevolking nog heel wat andere mensen binnen zijn grondgebied. De kampeercentra bieden aan duizenden, maanden achtereen — en zeker met een zomer als de jongste onderdak; voor enkele dagen, voor weken en zelfs voor maanden. De bevolking van deze kampeercentra zien we regelmatig en wel heel speciaal op de zaterdagen, naar de stad afvloeien voor

een tijdelijk verpozen, voor het doen van inkopen op velerlei gebied, al wordt het meeste voor de dagelijkse kost toch wel in de eigen kampwinkels afgenomen; we zien ze aan ons voorbijgaan in kleding, die wij hier niet, elders, op vakantie, evengoed als zij dragen. Het stoort ons niet meer, althans niet gauw meer, zo zijn ze gaan behoren bij het zomerse straatbeeld van onze stad. Ze behoren dan bij ons en ze zijn welkom, want hun geld is evengoed als dat van ieder ander en de winkelbedrijven varen er vaak erg goed bij.

Aan het einde zowat van deze zomerse invasie maken we kennis met weer een andere groep tijdelijke bewoners; sommigen slechts ook voor enkele dagen, zolang de kermis duurt; anderen wat langer, omdat ze geen haast hebben om weg te komen, en soms al vrij lang tevoren afzakken naar onze gemeente, omdat er geen emplooi meer mogelijk is tussen de laatste kermis en die van Oosterhout. Hoeveel het er zijn, het is natuurlijk na te gaan, met wat inspan ning maar er is wel werk aan, want iedere woonwagen heeft een andere in houd en sommigen zijn er met een heel gezin tegenover anderen, die slechts komen met diegenen, die bruikbaar zijn bij de exploitatie van het meegebrachte bedrijf.

Deze tijdelijke bewoners mengen zich iets minder onder de bevolking, dan die zomergasten; de laatsten immers zijn op vakantie, hebben alle tijd en een bezoek aan de stad is voor hen een interessante afwisseling en vaak een belevenis. Voor de kermisexploitanten ligt dat anders. Zij komen om aan ons te verdienen, en ook aan die kampeerders, die dan nog rond Oosterhout gelegerd zijn. Een gedeelte van de dag, veelal de middag reeds en in ieder geval de avond, zijn ze druk in de weer — als het goed gaat — om de mensen te bedienen en te gerieven en hun waren aan te prijzen. Het wordt dan vaak Iaat eer ze, na sluiting, alles weer hebben afgesloten en opgeruimd, of de kassa hebben geteld. Zijn ze te moe, dan doen ze het allervoornaamste en zoeken hun bed op om de volgende voormiddag de onvermijdelijke werkzaamheden voor de nieuwe openstelling af te werken. De morgen is ook de tijd, waarin ze zich gelegenheid geven om inkopen te doen; ook zij immers moeten eten en drinken; ze willen eens op een andere stoel zitten of doen aanschaffingen, die noodzakelijk zijn of hier voor hen op een of andere wijze aantrekkelijk. Een gedeelte van hun verdiensten, van de bevolking — en van die van vele omliggende plaatsen — stroomt terug in de zakken van dezelfde bevolking, zij het langs verschillende wegen. Zo bijvoorbeeld via het staangeld, dat de gemeente ten goede komt en zo dus indirect de gehele bevolking. Maar ook vloeit een gedeelte — hoe groot is moeilijk te bepalen .—— terug in de zakken van winkelbedrijven en vaak in grotere mate naarmate eerder het geld van de bevolking naar hen afvloeide.

Een doodgewone cirkelgang, een normaal en gezond economisch verschijnsel, en als zodanig ook echt niets bijzonders. Alleen, voor hen, bij wie een gedeelte terugvloeit, een leuk extraatje. Zaterdag is het weer zover. Zodra de middag zich aankondigt begint het dan weer om in de avond een eerste hoogtepunt te zien te geven vaak, met daarna als voornaamste dag de zondag na 12 uur.

Afhankelijk van het weer — laten we ook daarom hopen, dat er nog eer beetje zomer terugkomt, want mensen moeten er ook van bestaan — voert vooral de zondag ontelbaren van plaatsen rondom Oosterhout gelegen naar onze stad, naar de Markt en de Heuvel en wat daartussen ligt. De Oosterhoutse bevolking zelf laat evenmin verstek gaan en zo wordt Oosterhout stad op die zondag een heerlijke mengelmoes van Oosterhoutenaren en ingezetenen van Breda, Dongen, Made Raamsdonksveer enz.

Ook al is ongetwijfeld Kermis niet voor iedereen een enorm genot of feest denken we maar eens aan de direkt omwonenden, die dagen achtereen middag en avond worden getrakteerd op geluiden, die als kermismuziek gelden. Vooral voor de kinderen is kermis een feest en dat kan het blijven, nog ontelbare jaren naarmate de ouders de kunst verstaan de kinderen daarvan echt te laten genieten.

De kermis van nu is niet meer die van vroeger, zoals zoveel anders geworden is rondom ons. Maar ze behoort er toch nog altijd bij, als een bijzonder accent van de nazomer.