Verleden en heden. Goede en Slechte tijden. Verhalen, herinneringen van toen en nu, willen wij opnieuw onder uw aandacht brengen. Bent u geïnteresseerd in de geschiedenis van Oosterhout, bezoekt u dan onze website: www.hkoosterhout.nl
Alle verhalen uit de oude doos zijn letterlijk overgenomen uit oude Oosterhoutse weekbladen. Voor elk verhaal is de datum waarop het verhaal is geschreven vermeld.
Uit het Kanton van donderdag 24 november 1966
Sint Nicolaas betrad weer Oosterhoutse grond
Met alle waardigheid, waarover hij ondanks of misschien juist dank zij zijn hoge ouderdom beschikt, heeft de kindervriend Sint Nicolaas zondagmiddag weer zijn joyeuze entree gemaakt in onze stad.
Het weer was echt niet best, maar de kinderen, en met hen vele ouders, zijn er niet voor thuis gebleven. Hoe zou het ook. Altijd nog speelt dit gebeuren een grote rol in de folklore-gebruiken in ons land en Oosterhout blijft daarbij niet achter. En dat de jeugd, de jongste jeugd vooral, die nog zo heerlijk opgaat in de verschijning van Sinterklaas, daarbij voorop gaat is bij alle koude en nattigheid alleen maar hartverwarmend.
Zo was het aan de loswal, waar de gepavoiseerde boot arriveerde en de Sint werd verwelkomd met de muziek van de Koninklijke en een toespraak van de heer A. van Hulten voorzitter van het organiserend Oranje Comité. De Sint zelf betuigde zijn vreugde over zijn ontvangst en de aanwezigheid van zoveel kinderen.
Door Oosterhout
En weer begon de traditionele tocht door Oosterhout. De Kindervriend, hoog te paard, omgeven door herauten, door zwarte knechten, en vooral door de Oosterhoutse jeugd, voor zover die zich niet langs de route had opgesteld om hem toe te wuiven en te juichen en handjes te geven en het uitgestrooide lekkers te verzamelen, liet zich doorheen die drukte geleiden tot op de Heuvel, waar Burgemeester Elkhuizen hem welkom heette in zijn gemeente en stad. De Sint bemerkte daarbij weinig van de verkeersmoeilijkheden bij de kruising, waarbij de verkeersinstallatie sinds enige tijd het verkeer regelt. De politie was er evenwel bij om dat verkeer in goede banen te leiden. En de tocht werd voortgezet, straat in en straat uit totdat het bekende eindpunt het St. Jozefziekenhuis werd bereikt.
En ofschoon hij wel moe moet zijn geweest, hij heeft daarvan absoluut niets laten blijken bij zijn rondgang door dit gebouw, waar hij met veel geduld en belangstelling de kleintjes zowel als de bejaarden tegemoet trad, aan bed of in de kamers bezocht en hen toesprak en bemoedigde.
Bijgaande foto laat hiervan even een tafereeltje zien, dat ieder kind en ook ouders wel duidelijk zal aanspreken. Het wachten is nu, voor de kleintjes en voor de groten, op de grote feestdag van Sinterklaas. We hopen, dat dit voor allen een echte feestdag wordt, waarbij niemand vergeten wordt, ook en vooral niet de eenzamen in onze stad.
ZWARTE PIET EN ZWARTE PETER
Een Sint Nicolaas-verhaal voor de jeugd
Natuurlijk, iedereen heeft wel eens een boze bui. Zo'n bui, waarin je bokt en met je lippen op elkaar bromt. Je doet stuurs en stug; kortom, in zo'n bui is er geen land met je te bezeilen.
Nu had Peter ook zo'n bui. Hoe het kwam? Hij moest school blijven, z'n zakdoek was gescheurd en dat betekende een standje en het allerergste, z'n klappertjes-pistool was weg, gewoon verdwenen. En moeder had het ook al niet gezien. Ze had alleen brommerig gezegd: „Je had het pas van oma gekregen. Je hoeft niet te denken, dat je van Sint een nieuw krijgt".
En toen had Peter geneuried, zo zachtjes voor zich zelf:
„Sinterklaas en Zwarte Piet,
allebei bestaan ze niet.
Vroeger hebben ze wel bestaan,
maar toen zijn ze dood gegaan".
Een paar dagen later was die boze bui allang gezakt. Peter wachtte met spanning het sinterklaasfeest af. Hij had nog een stille hoop op een nieuw klappertjes-pistool. Je stond er soms van te kijken wat een verrassingen er kwamen en moeders weten heus niet alles.
Alleen, dat malle liedje zat nog in zijn hoofd. En in een baldadige bui zong hij het hardop. Niet een, maar wel drie keer.
En daar gebeurde het. Peter kreeg de schrik van zijn leven. Hij hoorde een gerammel gerommel en gestommel en daar boven uit: „Zo, zo, bestaan wij niet? Neen, dat is het toppunt! Daar doe je nou al die moeite voor! Hoe zit dat, meneerrrrrtje? 'Ben ik zwart en ben ik Piet of niet?"
„Jaha", stamelde Peter, ik bedoelde het niet zo, Piet, het was een grapje". „Grapje, grrrapje, van zulke grrapjes houd ik niet. Ik zal je eens even goed laten merken, dat wij bestaan. Sint, en ik ook.
Waar is mijn zak, oh, die ligt nog op het dak, dat is waar. Klim op mijn rug en mee naar boven. 1k heb nog meer te doen".
„Ja, maar", sputterde Peter tegen, „ik zie nu toch, dat je er bent en bestaat. Ik zal het nooit meer zingen. ik heb er niet bij nagedacht". „En dat moet je nu juist wel doen", sprak Piet. „Nadenken. Ais Sinterklaas als -kind niet had leren nadenken op een school, waar hij meteen al moeilijke dingen leerde, had hij nu nooit kunnen onthouden, wie hij wat wilde geven. Neen, zonder nadenken word je geen verstandig mens".
Daar zat Peter nu, boven op het dak. Hij hield zich vast aan een randje. Hij keek vol verbazing, hoe Piet bezig was met de pakjes. Hij bewoog zich zo gemakkelijk op het dak, alsof hij gewoon op straat liep.
„He, die akelige televisiemasten", hoorde Peter hem mompelen. „Als ik niet oppas, stoot ik mijn hoofd nog. Kijk, jongen, hier moet ik nu weer voor naar beneden. Je kunt namelijk niet altijd alles door de schoorsteen kwijt. Als jij dit vrachtje nu alvast naar het volgende dak brengt, daar, dat platte, dan kom ik daar straks ook. Ga hier maar even door de goot, dat gaat het vlugst".
„Door de goot", zuchtte Peter, die Piet nakeek over het randje en zag hoe hij zich vlug als een aap langs de regenpijp liet zakken. Huuuh, wat hoog. Gelukkig regende het niet, dan zou alles nog glad zijn ook. Kom ik laat me niet kennen, dacht Peter. Heel voorzichtig, terwijl hij zich met een band stevig vast hield, schuifelde hij voetje voor voetje naar het platte dak. Brrr, wat was dat? 0, een fladderende meeuw. Hij wou, dat hij veilig beneden was. Nog drie, twee, ja nog een stap gelukkig; hier was het beter op het platte dak. Met trillende knieën ging Peter zitten, met zijn rug tegen een schoorsteen.
Nauwelijks had hij eens heel diep gezucht of hij sprong op van schrik.
Getrappel, gehinnik en een kreet „help, Piet, help". Daar vlak bij hem op het dak, Sinterklaas, op het paard, dat dampte en zweette en met zijn hoofd schudde. En Sinterklaas? Oh, die prachtige, wijde tabberd was achter een televisiemast blijven haken. Peter 'bedacht zich geen ogenblik, klom naar boven en maakte de mantel los. „Hij is nog heel, boft U even!" „Ja, zeg dat wel", antwoordde Sinterklaas. „Dank je wel. Maar jij bent Piet niet. Wie ben jij, hoe kom je hier? Waar is Piet?"
„Piet is beneden", antwoordde Peter en hij vertelde eerlijk hoe het kwam, dat hij daar op dat dak was.
Terwijl hij bezig was, kwam Piet terug. Zo Piet, jij hebt een fijn hulpje gevonden. Zou hij weten, wie hij helpt?" vroeg hij met een knipoogje. „Nou en of", riep Peter. „Kun je hem een poosje missen, Piet?" „Nou, Sinterklaas, als het moet dan moet het maarrrr". „Stap op, jongen, omdat je mij zo keurig hebt geholpen met mijn mantel los maken, mag je een paar ritjes voorop". Nou, Peter zat al. En daar gingen ze, hoog boven al het stadsgewoel met de brommende fietsen, gierende remmen, springende banden. Pang. Peter schrok van die knal; even kneep hij zijn ogen dicht. En toen hij die weer open deed, keek hij een beetje verdwaasd rond. Daar stond zijn broertje naast hem bij de schoorsteen, met een pracht van een pistool in zijn hand. „He, dromerd", gilde hij. „Kijk nu toch wat hier ligt. En jouw naam staat er op! Hoe kom jij zo zwart? Het lijkt wel of je in de goot hebt gezeten". „Heb ik ook", fluisterde Peter. „Joh, schiet op, ga je wassen; als moeder je zo ziet......" (FVW)
