Jongmensen vliegen tegenwoordig voor een habbekrats de hele wereld over en treffen elkaar binnen een paar uur na vertrek op witte stranden en in schuimende discotheken in het zuiden van Europa. Waar paps en mams niet meekijken, waar het weer eens anders feesten is dan bij de Kletsereij of café Binnen, en waar het strand overdag een prima plek is om je kater van de dag tot rust te laten komen. Bij terugkomst zijn de verhalen groot over de avonturen die zijn beleefd. En nee… vroeger was alles echt niet altijd beter. Maar de avonturen wél!

Liften: de liefde voor de vrijheid

Terwijl er op de parkeerplaats voor de onlangs gesloopte flatjes aan de Van Oldenbarneveltstraat in Oosterhout een tweekleurige Citroën 2CV Charleston stond, besloten wij het er toch op te wagen. In het midden van de jaren negentig werd in café Shooters op de Markt – waarschijnlijk na wat vreugdevolle glazen – gebluft dat we wel liftend op vakantie zouden gaan. Het moest die week later op vrijdag al gebeuren. Grote rugzakken werden snel geregeld. Er werd op elke tas een knuffelbeer aan de buitenkant genaaid, zodat onze uitstraling maar heel lief en aardig was. We dachten dat het ons sneller aan een lift naar onbekende en onbestemde oorden zou helpen.

Een Belgische vriendin gaf ons op vrijdagmiddag een kickstart. We werden opgepikt bij de oprit van de A27 in Oosterheide en nog geen uur later vlak voor Brussel gedropt. Na een zoen en een knuffel moesten we op zoek naar onze eerste echte transfer. Getooid met kartonnen stroken vol zwarte blokletters van ver-weg-plaatsnamen als Marseille en Bordeaux (we waren naïef en enthousiast), werd onze tweede etappe al heel snel gefikst. Een gammele BMW met twee even duistere gasten bracht ons van Brussel naar Bergen, aan de Franse grens. Terwijl thuis in Oosterhout het journaal van acht uur nog bezig was, konden wij de croissants al ruiken. Dat ging très vlot!

Viskar, Parijs en een hotel met rode pluche

Op de bekende en laatste grote rustplaats langs de Belgische E19 stopte een witte bus. Een bats van een airco op het dak van de cabine, afbeeldingen van vissen op de zijkant. “Je vais aux Halles à Paris, vous venez avec moi?” riep de aimabele Waal uit zijn raampje. Hij stapte uit en opende de zijdeur van – wat later bleek – een kandidaatwagen voor ‘Het wrak van de week’. Een grote gekoelde ruimte staarde ons aan. Een prima plek voor onze rugzakken vol teddyberen, tent en slaapzakken… maar dan wel prima met een vislucht. De goede man reed een paar keer per week voor diverse Brusselse restaurants naar de markthallen van Parijs. In de avond en begin van de nacht heen, na aankoop van verse sliptong, spiering en anders ziltigs lekkers terug. Hij had wel zin in een klets met twee gasten met wereldreisideeën.

“O la la, pas de panique, c’est normal!” riep de olijke visvervoerder toen op de drukke périphérique van Parijs het busje niet meer verder wilde. Behendig zette de Max Verstappen van TonijnTransport Brussel zijn bolide neer op een plek waar de duizenden coureurs van Parijs en zwetende toeristen met hun caravans binnen een halve meter van de deurklink langsraasden. Het was een vrijdagavond in augustus 1995. Zou hier het leven eindigen?

Een blik onder de motorkap van het onwillende blik maakte duidelijk waarom het busje verder dienst weigerde. De gaskabel was losgebroken. Een euvel waarvan chef Zalmverzending Brussel later zou bekennen dat dat wel vaker voorkwam. En de manier waarop de goede man het mankement fixte, bevestigde zijn bekentenis. We waren zo weer op weg. Al was invoegen op de vrijdagavondse volle périphérique met een transportbusje geen sinecure. Wij wilden zo snel mogelijk uit dat rotgevaarte. De viscoureur stond er werkelijk op dat hij ons voor een goed hotel in Parijs zou afzetten… in de buurt van Gare de Lyon wist hij wel iets. En iedereen weet ondertussen wel dat je in de grote stad niet in de buurt van een groot treinstation moet zitten. Een rood bepluched, uitgeleefd hotel van vijf verdiepingen, waar de gedeelde douche en het toilet zich uiteraard niet op jouw etage bevonden en waar schaarsgeklede dames op straat in de bushokjes niet op het publieke vervoer, maar op betaalde aandacht zaten te wachten.

Het was verdikkeme iets na twaalven en binnen zes uur hadden die gasten zich van de oprit van de A27 naar Avenue Daumesnil in Parijs getransporteerd.

Misstap richting Normandië

Na anderhalve dag struinen door Parijs, dansen in het Hard Rock Café en slapen onder de Eiffeltoren, vatten we het plan op om richting de kust te gaan. In etappes naar Normandië, leek ons leuk. Op zondagmiddag met de metro richting Porte d’Auteuil. Kenners van de Parijse plattegrond en volgers van het wereldtennis weten dan dat je aan de westkant van Parijs bij Roland Garros bent. Niemand van daar gaat richting Rouen - al staat die plaats wel daar op de borden -, zelfs bijna niemand gaat richting Versailles, wat ook vanaf Roland Garros die kant op is. Uren deden we erover om dertig kilometer ver buiten Parijs te komen. Het was verdorie een zondagmiddag, niemand die met vis op pad gaat, elke auto vol met Franse families. Geen plek voor twee Brabantse globetrotters vol vakantieplannen. Met een boemeltreintje en de lift-staart tussen de benen dropen we terug af naar Parijs. Aan de rand van Bois de Boulogne vonden we een stekkie op de camping. Daar waren we uren en uren daarvoor ook al langsgekomen.

We hadden het er met jongeren van die camping erg naar ons zin. Naakt zwemmen in de vijvers van het bos, gitaarliedjes zingen en taai stokbrood met kleffe brie eten. Dat je in dat gedeelte van Bois de Boulogne beter niet alleen over straat kunt gaan, werd ons later pas verteld. Gelukkig waren wij als spic en span, telkens met z'n tweeën.

Het waren de jaren dat er in Parijs nog wel eens een spijkerbom afging. Langs de snelweg werden we vaak extra in de gaten gehouden – zo voelde dat in ieder geval. Daags nadat wij via het noorden van de stad op weg waren naar andere avonturen, ontplofte bij La Bastille een bom. Ook daar waren we in de buurt geweest.

Hoe moet het thuisfront onze vakantie-escapades beleefd hebben? Het was nog niet de tijd van mobiele telefonie, je had niet dagelijks contact. En ja, we waren jong, maar ook volwassen en pasten goed op onszelf. We zouden het wel overleven.

Belgische kust, Italiaanse matrozen en een kaasschaaf

Een stewardess van Air France pikte ons op van de oprit bij Porte de la Chapelle. Het is de beste plek om vanuit het centrum van Parijs richting het noorden te gaan, maar in die tijd werd er nog meer gelift. Zeker door jongeren uit het net verloste Oostblok. Het was druk daar met kartonnen bordjes en opgestoken duimen.

Wij maakten snel een bordje met Charles de Gaulle (het vliegveld) en dat leverde ons een kort ritje op. Bij het vliegveld was het klooien. Weinig auto’s op weg naar Lille, wél veel Nederlandse vakantiebussen vol jongeren op weg naar huis. Jammer dat die bussen op de snelweg met 100 km/u langsraasden. We hebben gedanst en gesprongen om wat aandacht te trekken. Broeken laten zakken om met witte kadetten het ongenoegen van weer een gemiste kans duidelijk te maken. Twee borden met de tekst ‘Wij willen ook naar huis’ hielpen ook niet.

Drie uiterst donkere mede-aardbewoners in een klein autootje stopten om de blondste van ons twee een lift aan te bieden. Die hebben we maar geweigerd. Een chagrijnige Fransman nam ons mee naar Lille, een truckchauffeur met een volle tankwagen zette ons op het lange viaduct bij Gent uit de wagen en de trein vanuit Sint-Pieters-Leeuw bracht ons naar Blankenberge. In het donker zetten wij op een camping aan het strand onze tent op. Snel douchen en het nachtleven in. Wij hadden tenminste stoere verhalen te vertellen!

De discotheek King Beach aan het strand van het Belgische kustplaatsje was de place to be, werd ons verteld. Hollandse gasten haalden je er toen overal tussenuit. Een wit T-shirt om de bast, een Levi’s 501 aan den bips en Converse-gympen als transportmiddel. Vanuit Hellevoetsluis waren vier yuppen met de snelle boot van papa naar Blankenberge getogen. Twee broers en twee zussen gingen op hun manier een avondje stappen. In de haven van Zeebrugge lag het opleidingsschip van de Italiaanse marine, de *Amerigo Vespucci*. In de King Beach kwamen alle bemanningen van de yuppenboot, de boot vol Italiaanse testosteron en de twee Oosterhoutse wereldreizigers samen. We hebben wat vredesbesprekingen gevoerd om aan de Belgische kust een oorlog te voorkomen tussen beschermende Hellevoetsluise broers en hitsige Italiaanse matrozen. De Hollandse zusjes waren target. De Oosterhoutse wereldreizigers redden al dansend de avond van de dames en werden als dank door de ladies op de boot van papa uitgenodigd. Wij dachten wel een bijzondere lift naar huis geregeld te hebben. De ochtend erna was er in de jachthaven van Blankenberge van de boot met veel te beschermende broers en dankbare deernes niets te bekennen. Wij moesten het alleen nog met stoere verhalen doen. Dat onze dansmoves de snelle-boot-dames hebben behoed van Italiaanse hitsige handjes en meer van die ongein.

Daags nadien liftten we ons via veel kleine etappes weer huiswaarts. Denk je eindelijk weer een beetje met je tijdelijke chauffeurs te kunnen kletsen, krijg je ook nog een lift van een bouwvakker uit het Pajottenland. We hebben veel ja geknikt en meegelachen, maar moesten allebei na die lift bekennen dat we er geen bal van hadden verstaan. Bij Sint-Job-in-‘t-Goor viel mijn kompaan nog van de vangrails toen hij op de uitkijk stond of er wat aankwam. Als een kaasschaaf raspte de rand van de veiligheidsbarrière het vel van zijn schenen… het was maar goed dat we bijna thuis waren!

CvA