In de winter van 1925–1926, precies honderd jaar geleden, werd een groot deel van Zuid Nederland getroffen door een uitzonderlijke rivieroverstroming. Door extreem hoge waterstanden in de rivier de Maas en haar zijrivieren ontstond eind december een ramp die tot één van de meest verwoestende van de twintigste eeuw behoort. Vooral laaggelegen gebieden langs de rivier kregen te maken met enorme schade aan woningen, infrastructuur en landbouwgrond.

De winter van 1925/26 begon vroeg en was uitzonderlijk streng. In sommige gebieden lag een dik pak sneeuw dat wekenlang bleef liggen. De bodem raakte diep bevroren, waardoor veel regen- en smeltwater niet meer kon wegzakken. Vanaf halverwege december sloeg het weer plotseling om. De temperatuur steeg snel en grote hoeveelheden sneeuw begonnen tegelijk te smelten. Tegelijkertijd viel er extreem veel regen. Door deze combinatie stegen de waterstanden in korte tijd tot recordhoogten. De rivieren konden het water niet meer afvoeren en dijken kwamen onder zware druk te staan. Rond de jaarwisseling bezweken verschillende waterkeringen.

Het Maaswater stroomde met grote kracht het achterliggende land in. Binnen enkele dagen stonden uitgestrekte gebieden onder water. Duizenden mensen moesten hun woningen verlaten om in veiligheid te worden gebracht. De overstroming bracht grote ontwrichting met zich mee. Elektriciteit viel op veel plaatsen uit, waardoor reddingsacties ’s nachts plaatsvonden bij het licht van lantaarns en kaarsen. Mensen werden per boot geëvacueerd, vaak met slechts enkele persoonlijke bezittingen. Gezinnen werden gescheiden en velen leefden dagenlang in onzekerheid over hun huis en toekomst.

Pas na een aantal weken trok het water zich volledig terug. Wat achterbleef was een landschap vol verwoesting: ingestorte riolen, beschadigde huizen en verlamde industrie. Kort na de overstromingen keerde de vorst terug, waardoor ijsschotsen opnieuw schade aanrichtten aan gebouwen, bruggen en landbouwgrond.

In 1925 overstroomde dus de Lage Landen, gelegen aan de Maas vanuit het zuiden. Maar nóg een eeuw eerder, in 1825, was er ook een watersnoodramp, toen overstroomde het grootste gedeelte van Noord-Nederland. In 1953 kwam de waterwolf uit het westen. In 1993, uit het zuiden, ook weer overstromingen aan de Maas. In 1995, met extreem veel water uit het oosten en de bijna overstromingen en verplichte evacuatie langs het Rijnwater landschap.

Hoewel de vergeten rampen uit 1825 en 1925 eeuwen geleden plaatsvonden, zijn de lessen ervan vandaag de dag nog steeds actueel. Ook nu in 2025 krijgen we steeds vaker te maken met extreem weer, zoals hevige regenval, langdurige droogte en plotselinge temperatuurwisselingen. Door klimaatverandering, met ook de stijgende zeespiegel, nemen deze extremen toe, net zoals destijds de combinatie van vloeden, sneeuw, dooi en regen tot een ramp leidde.

De overstromingen laten zien dat waterbeheer anno 2025 om sterke dijken vraagt, maar ook om ruimte voor water, bijvoorbeeld door het creëren van doorstroom- en overlaat gebieden. Het waterschap verkent samen met gebiedspartners, zoals de gemeenten, provincie, en andere overheden deze alternatieven. De Deltacommissaris bezocht half november tijdens het Deltacongres in Breda de Brabantse Delta; varend door het Wilhelminakanaal, de Amertak en de Donge, het deltagebied dat met een waterbestendige toekomst beschermd moet blijven tegen hoogwater.

Het water koos de voorgaande eeuwen een aantal keren zijn eigen weg over het land.

Nu kiest Brabant ervoor om de waterwolf in ons Benedenrivierengebied te blijven bestrijden en zorgt dat de geschiedenis zich niet kan herhalen.

Want wie met het water meebeweegt, wordt nooit door het water verslagen.