Verleden en heden. Goede en Slechte tijden. Verhalen, herinneringen van toen en nu, willen wij opnieuw onder uw aandacht brengen. Bent u geïnteresseerd in de geschiedenis van Oosterhout, bezoekt u dan onze website: www.hkoosterhout.nl

Alle verhalen uit de oude doos zijn letterlijk overgenomen uit oude Oosterhoutse weekbladen. Voor elk verhaal is de datum waarop het verhaal is geschreven vermeld.

Uit het Kanton van donderdag 14 januari 1965.

10 jaar

De viering van het eerste decennium van het in erehersteld Oosterhouts „Smulnarrencarnaval” is de unieke gelegenheid Ons te richten tot alle ingezetenen van Onze nijvere „Carnavalsstad” Oosterhout.

Reeds in het griize verleden kende Oosterhout het volksfeest „Carnaval” en beleefde dat op eigentijdse wijze, geheel in overeenstemming met de aan dat feest ten grondslag liggende gedachten.

De eenheid gepaard aan het verlangen naar gelijkheid onder alle lagen van de bevolking, zijnde de belangrijkste pijler waarop het carnaval rust, resulteerde in de vastberaden wil tot samenwerking ter bereiking van een geslaagd en humoristisch carnaval, hetgeen kenmerkend is voor de gezonde geest onder onze voorouders.

De humor stond in het licht van het dagelijks leven in de stad en vooral van de destijds vaak voorkomende en aandacht trekkende gebeurtenissen in de Raad der gemeente tengevolge van zijn samenstelling uit een aantal z.g. „Splinter” vertegenwoordigers.

De wijze waarop de burgerij daarvan op „satirische” wijze gebruik wist te maken, verwekte niet alleen een enorme hilariteit onder de toeschouwers langs de straten waar deze met sprankelend vernuft samengestelde optocht trok, maar legde gelijktijdig het zo noodzakelijke contact tussen deelnemers en kijkers (ter ondersteuning van de eenheid en de zorg voor een zodanige „dosis leut” ruim voldoende om de resterende carnavalsdagen broederlijk en onverpoosd in de feestvreugde „ondergedompeld” te blijven.

Dat de verslagenheid groot was, toen voor ruim 53 jaren de overheid het besluit nam, hoe goed dat wellicht, gelet op de donkere tijden waarin het land en de wereld toen verkeerde, ook bedoeld zal zijn geweest, tot afschaffing van het carnaval, laat zich dan ook volkomen begrijpen.

De kaarten lagen nu eenmaal zo en berusting was het enige wat restte, hopende dat spoedig op dat „onverteerbare” besluit zou worden teruggekomen.

Dat wij echter decennia als banneling bij de gunst der Amadero’s zouden moeten leven, was het enigste dat niet in de Iijn der verwachtingen lag, desondanks werd het toch een feit en is het thans gelukkig „historie”, al scheen het schier uitzichtloos nog ooit weer bezit te kunnen nemen van het erfdeel onzer grote voorvaderen ons zo dierbaar „Smulnarrendurpke”.

Het was onze „roemruchte” zotheid, voortspruitende uit „onbeschrijfelijke” wijsheid, welke ons optimist bleef zijn, overtuigd dat ook het carnavalsbloed kruipt waar het niet gaan kan. De ontwikkelingen in ons Prinsdom op de voet volgende, bemerkten wij dat dit bloed in de persoon van onze huidige „Ministerpresident” Leo Wellens de Raad der gemeente had versterkt. (Gezien zijn lengte een behoorlijke dosis). De kiem tot het herstel van het folklorefeest was gelegd en met de moed „een echte carnavalist eigen” ijverde hij van stonden af aan voor de belangen van de verbannen „Dynastie”.

De „goden van de Olympus” bij de gratie waarvan ons geslacht de zotheid uitdraagt, waren ook hem gunstig gezind, want de toenmalige burgemeester F. A. J. van Oers, was geenszins wars van het carnaval en werd daarin nog eens extra gesteund door zijn „rasechte” Oosterhoutse wethouder J. Willems. Het uitgestrooide zaad had wortel geschoten en dank zij dat driemanschap werd het zo „verguisde” verbod opgeheven en verkreeg Oosterhout voor 10 jaar geleden wederom het privilege zich „het Smulnarrendurpke” te noemen.

Wat dit voor ons en de burgerij betekende behoeft geen nader betoog gezien het reeds groots en gedegen opgezette Eerste Smulnarrencarnaval”.

Dat het de hoogste tijd werd had “Leo” goed gezien, de burgerij was volkomen rijp voor zijn eigen carnavalsviering, hetgeen ook direct en volkomen overtuigend bleek tijdens het eerste Prinsendiner toen de voorzitter onzer ereraad Sjef Willems op de hem aangeboren spontane wijze onomwonden verklaarde „het carnaval is geslaagd”, niettegenstaande het nog pas enkele uren oud was. Dat onze „Sjef” gelijk had en zijn burgerij tot in merg en been kent, hebben de 10 jaren Oosterhouts Smulnarrencarnaval op overtuigende wijze bewezen.

Hetgeen in deze jaren tot stand is gekomen dank zij het onblusbare enthousiasme van onze regering en de spontaniteit van de burgerij overtreft elke verwachting.

Het Smulnarrencarnaval heeft niet alleen een zodanige bekendheid en niveau gekregen dat het in één adem met de grootste carnavalssteden wordt vernoemd, maar is zelfs op weg toonaangevend te worden, door zijn vastbeslotenheid getrouw te blijven aan de oeroude intenties van het echte „Brabantse”carnaval.

Alles wijst er op dat ons Prinsdom zich onder een gelukkig gesternte heeft bewogen en zal blijven bewegen want in de persoon van burgemeester Mr. A. J. M. Elkhuizen heeft de stad een Schout gekregen met een bijzonder „warm” hart voor het Carnaval hetgeen voor de toekomst van ongekende waarde moet worden geacht.

Dit alles geeft ons het recht met voldoening terug te zien op deze eerste „zware” tien jaren, en „trots” te zijn op de burgerij van Oosterhout die getuigd heeft te begrijpen op welke manier het folklore feest bij uitstek, het feest der zotheid, moet worden beleefd om daarvan de meeste en grootste voldoening over te houden.

Hiervoor zijn wij, onze regering met aan het hoofd Minister-president Leo Wellens en de gehele burgerij uitermate erkentelijk en vinden daarin aanleiding de viering van ons 10e regeringsjaar extra luister bij te zetten. Oosterhout heeft recht op een grootse viering van zijn eerste Carnaval der dubbele cijfers, onze regering werkt onder hoogspanning om daaraan leiding en vorm te geven. Wij vragen U voorzover dit in uw vermogen ligt spontane medewerking.

Als prinsen van Easterwood del Carnavallo hebben wij niet alleen tot taak het carnaval .te symboliseren doch ook over de toekomst, instandhouding en uitbreiding te waken.

Daarom menen wij de vinger te moeten leggen op bepaalde zaken.

Nimmer zal het standpunt mogen worden ingenomen „Carnaval is er ergo Carnaval blijft”, waarmede wij beogen dat symptomen van vervlakking en gelatenheid, hoe natuurlijk die overigens ook mogen schijnen, als absoluut onaanvaardbaar dienen te worden gebrandmerkt.

De eenheid en wil tot samenwerking, kenmerk van het verleden, waardoor ’n geheel, uit de burgerij voortkomende, dynamische carnavalsviering ontstond, moet ook voor de toekomst het ideaal blijven dat om effectuering roept.

Het is niet onze regering maar de gehele burgerij die het carnaval moet maken en gedurende het gehele jaar aktief moet blijven opdat al hetgeen in ons Prinsdom plaats vindt niet voor de totale feestviering verloren gaat.

Vergelijk nimmer onze regering met de hedendaagse bestuursapparaten waarvoor U alleen eens per zoveel jaren, wellicht „ongeïnteresseerd” ter stembus vaart, maar ziet daarin uitsluitend het apparaat met een coôrdinerende functie om aan alle impressies welke zich in onze samenleving voor doen en ter tafel worden gebracht de juiste plaats en verantwoorde vorm te geven bij het symboliseren tijdens het carnavalsfeest. Overtuigd dat de wil tot „aktief” medewerken aanwezig is, neemt dit niet weg dat een extra aansporing nooit overbodig is.

Begrijpt dat het onbeschrijfelijk vele werk verbonden aan een zo veelzijdige organisatie onmogelijk kan worden volgehouden en gedragen door de schouders van enkele oer-carnavalisten „samengeperst” in onze regering.

Wil het Oosterhoutse carnaval voortgaan op de ingeslagen weg, waaraan wij vastbesloten zijn onverbiddelijk de hand te houden, dan is het naar onze mening de hoogste tijd dat:

1e. de gehele burgerij éénparig toetreedt als „donateur” van de Carnavalsstichting;

2e. het industriële potentieel der stad zich gezamenlijk inzet voor de belangen van de Carnavalsor.ganisatie;

3e. alle horeca- en aanverwante bedrij ven onvoorwaardelijk steun verlenen aan de Carnavalsorganisatie;

4e. iedereen voor zover dit mogelijk is zich daadwerkelijk persoonlijk inzet voor de Carnavalsorganisatie als zodanig.

Alleen indien evengenoemd vierspan zich unaniem voor de zegekar onzer Dynastie spant, zijn wij er van overtuigd dat een ongekend humoristisch en echt „Brabants” carnaval in Oosterhout een „Axioma” is.

Daarom durven wij, Mienus den Eerste van Easterwood del Carnavallo, Viervorst der Lage Landen, uitroepen:

Leve Oosterhout, Leve de Smulnarren, Leve ons carnaval.

Ten winterpaleize, de 11de der Louwmaand 1965,

MIENUS 1,

Prins van Easterwood.