Carnaval, ’t duurt voor vierders verschrikkelijk lang voordat het er is, dan worden er vier (vijf, zes, zeven…) dagen volop gevierd en genoten en is het toch nog plotsklaps weer over. Maar wat hebben we er dan van genoten. Juist die vergankelijkheid, dat vluchtige, als gedachten aan een mooie droom waar je niet uit leek te kunnen komen, maakt dat ieder die daarvoor open staat er zo intens van kan genieten.

Alhoewel ik toch een enorme carnavalsvierder ben, gaat hier de vlag na de sluiting op Vastenavond al naar binnen. Aswoensdag verdwijnen binnens- en buitenshuis alle versiering, meegebrachte prullaria en wordt ogenschijnlijk alle confetti opgeruimd. Van dat laatste weten we allemaal dat dat enkel zichtwerk en een beetje meer behelst, want dat spul, biologisch afbreekbaar of niet, dat duikt nog maanden op onverwachte plaatsen op. Carnaval is op Aswoensdag simpelweg écht voorbij. En dat vind ik ook wel weer mooi. Notoir zijn de vlaggen die vaak overal nog weken aan gevels hangen, ik wil ze eigenlijk niet meer zien tot de viering van 11/11, maar op de Markt kan men kennelijk echt geen genoeg krijgen van die carnavalssfeer: de reusachtige lichtmast naast ons carnavalsmonument Hatsiekedee! is nog volop getooid met groene en rode plastic vlaggetjes, ’t hangt er nu bij alsof het bemoedigend een arm om schouders van het beeld legt. ‘’t Komt wel goed ventje’. Ik denk in alle eerlijkheid dat onze Hats ook wel effe zat heeft van al dat gezwier, gezang, kabaal en geplas aan zijn kop. Die gaat tot elf november in retraite, als ‘ie wijs is. En dat is ‘ie. ‘n Aardig detail is dat de bloembak al wel klaar is voor de eerstvolgende fase, namelijk de aanstormende lente.

R.